En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben.
( Openbaringen 1 : 17, 18 )

Dat was meer dan vijftig jaar geleden dat Johannes de Heere had ontmoet. Al die jaren is Johannes apostel geweest. Grijs geworden in de dienst van zijn Meester. Onder keizer Domitianus is hij tenslotte opgepakt en gevangen gezet op het eiland Patmos.
En dan komt die wonderlijke dag. Johannes hoort een stem als een bazuin. Hij draait zich om. Wat hij dan ziet gaat elk bevattingsvermogen te boven. Hij zag de Zoon des mensen! Jezus Christus! De verheerlijkte! Wat verheugdend voor Johannes dat hij hier in de eenzaamheid de Zoon van God Zelf mag ontmoeten!
Maar onze tekst zegt: Toen ik Hem zag viel ik als dood aan Zijn voeten.
Dan valt deze dienstknecht als dood voor Christus' voeten neer! Ja, dat is dezelfde dienstknecht die zo eigen met de Heere was dat hij aan de avondmaalstafel rustte aan Zijn boezem! Hij zinkt ineen!
Ook Gods kinderen, hebben steeds weer (en als het goed is ook steeds meer), reiniging en vernieuwing nodig. Zij moeten zeggen: Wat hebben wij gedwaald ook sinds wij de Heere leerden kennen!
Wie wij ook zijn, als wij met de levende Heere in aanraking komen (wat nodig!) dan valt alles wat wij hebben, en meegemaakt hebben, en beleefd hebben, weg. Wij worden van onze inbeelding verlost. Toen viel ik als dood aan Zijn voeten.
Zelfs hij die eerder aan Jezus' boezem lag, kan zoveel heerlijkheid niet dragen. Hij draagt hier ook nog het lichaam van de zonde. Vol vreze zinkt hij neer. Net als Jesaja: Wee mij, ik verga.
Hier beseft een mens iets van de heiligheid van God. Dan is God niet meer ver weg. De nabijheid van God dringt zich juist op. God is niet langer "iets" en van horen zeggen. God wordt werkelijkheid in je leven.

Een God met wie je te doen krijgt! In die nabijheid van die levende God blijkt onze nietigheid en schamelheid.
Hier kwam Christus juist om Johannes te bemoedigen. Zelfs dan valt Johannes nog als dode voor Hem neer. Dat gaat ook bevindelijk samen op. Als God komt, en Hij geeft een gevoel van Zijn liefde, juist dan erkennen wij onze onwaardigheid. Als genade op het allerhoogst komt dan buigt Gods kind het allerdiepst.
Johannes vreest. Valt als een dode neer. Maar hij valt als dood (let er op, waarheen!?) aan Zijn voeten! De soldaten die Christus gevangen kwamen nemen vielen ruggelings ter aarde. De wachters op paasmorgen werden als doden en vluchten weg zo snel ze konden. Maar Johannes viel als dood, aan Zijn voeten!
Zijn vrees en schrik brengt hem voor Christus en tot Christus in het stof! Zaligmakende ontdekking brengt een zondaar aan Zijn voeten!
Als wij door genade Jezus zien, juist dan zinken wij weg in diepe nederigheid. Weten wij dat ook? Uw waardigheid smolt weg. Uw deugd verschrompelde. Waar u op roemde raakte u kwijt. O, en laat ons "ik" maar dood aan Zijn voeten vallen. Onze hoogmoed moet toch sterven. Maar Johannes valt aan Jezus voeten! En dat waren toch voeten met een teken. Een litteken.
Wat lankmoedig, wat hier dan verder gebeurt. Christus zet Zijn voet niet op Johannes' nek. Daar mogen al degenen wel voor vrezen die nog nooit voor Christus liefdesnodigingen zijn bezweken. Wee u! Als Hij zijn voet straks op Zijn grote dag op uw nek zal zetten!
Maar Hij legde Zijn rechterhand op mij!
Zijn hand op het hoofd van een schuldige zondaar. Hij strekt Zijn hand uit naar een zondig mens. Zijn handen breken brood bij het Heilig Avondmaal. Zijn rechterhand vol mogendheden, doet mij getroost en veilig gaan.
Hij zegt: Vreest niet! Die vrezen hoeven niet te vrezen, maar die niet vrezen, die hebben alles te vrezen.
Johannes, vreest niet. Waarom niet?
Want u Johannes bent toch de geliefde discipel van Christus!?
Apostel; dienstknecht van God!?

Verbannen om Gods Woord en getuigenis!
Maar dat zegt Hij niet. Weet u wat Hij zegt? Ik ben! Drie keer! Alleen daarom hoeft
nietigheid en schamelheid.
Hier kwam Christus juist om Johannes te bemoedigen. Zelfs dan valt Johannes nog als dode voor Hem neer. Dat gaat ook bevindelijk samen op. Als God komt, en Hij geeft een gevoel van Zijn liefde, juist dan erkennen wij onze onwaardigheid. Als genade op het allerhoogst komt dan buigt Gods kind het allerdiepst.
Johannes vreest. Valt als een dode neer. Maar hij valt als dood (let er op, waarheen!?) aan Zijn voeten! De soldaten die Christus gevangen kwamen nemen vielen ruggelings ter aarde. De wachters op paasmorgen werden als doden en vluchten weg zo snel ze konden. Maar Johannes viel als dood, aan Zijn voeten!
Zijn vrees en schrik brengt hem voor Christus en tot Christus in het stof! Zaligmakende ontdekking brengt een zondaar aan Zijn voeten!
Als wij door genade Jezus zien, juist dan zinken wij weg in diepe nederigheid. Weten wij dat ook? Uw waardigheid smolt weg. Uw deugd verschrompelde. Waar u op roemde raakte u kwijt. O, en laat ons "ik" maar dood aan Zijn voeten vallen. Onze hoogmoed moet toch sterven. Maar Johannes valt aan Jezus voeten! En dat waren toch voeten met een teken. Een litteken.
Wat lankmoedig, wat hier dan verder gebeurt. Christus zet Zijn voet niet op Johannes' nek. Daar mogen al degenen wel voor vrezen die nog nooit voor Christus liefdesnodigingen zijn bezweken. Wee u! Als Hij zijn voet straks op Zijn grote dag op uw nek zal zetten!
Maar Hij legde Zijn rechterhand op mij!
Zijn hand op het hoofd van een schuldige zondaar. Hij strekt Zijn hand uit naar een zondig mens. Zijn handen breken brood bij het Heilig Avondmaal. Zijn rechterhand vol mogendheden, doet mij getroost en veilig gaan.
Hij zegt: Vreest niet! Die vrezen hoeven niet te vrezen, maar die niet vrezen, die hebben alles te vrezen.
Johannes, vreest niet. Waarom niet?
Want u Johannes bent toch de geliefde discipel van Christus!?
Apostel; dienstknecht van God!?

Verbannen om Gods Woord en getuigenis!
Maar dat zegt Hij niet. Weet u wat Hij zegt? Ik ben! Drie keer! Alleen daarom hoeft Johannes niets te vrezen. Het is niet omdat Gods kind beter is; omdat er ook maar iets goeds in hen is. Dat is er niet. In mij is alleen de dood. Maar om Zijn drie keer Ik-ben. Om wie Jezus Christus is, de Zoon des mensen. Ik heb alles te vrezen. U niet? Voor de wereld en de duivel en niet in het minst voor jezelf.
Maar Hij zegt: Ik ben! Moge zo ons leven zijn. Ik heb niks, Heere.
Ik heb alles te vrezen. Leer mij vrezen. Maar tegelijk zegt de dichter in geloof: O, Heere die mij bevrijd, die zegt: Ik ben! Mijn Rots en Losser zijt! Dan heb ik niets te vrezen.

Ds. N. den Ouden
Juli 2019