Wat dunkt u van de Christus?

Mattheüs 22 : 42a

Christus kennen

Wat dunkt u van de Christus? Dat is: wat kent u van Hem?

Het is zeker, dat wij geen goede gedachten kunnen hebben van hetgeen wij niet kennen of begrijpen. Hebt u dan wel ooit ‘de Geest der wijsheid, en der openbaring in de kennis van Christus ontvangen? Ef. 1:17. Heeft wel ooit die God, Welke gezegd heeft, dat het licht in de duisternis schijnen zou, in uw harten geschenen, om u te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Jezus Christus?’ En heeft God wel ooit Zijn Zoon in u geopenbaard? Hebt u de Zoon wel ooit gezien? Iemand, die de natuurlijke zon aan de hemel ziet, zal, ook juiste gedachten van haar hebben; maar iemand die blind geboren is en nooit haar licht gezien heeft, kan geen goed begrip van haar hebben, al werd er ook nog zoveel gesproken van haar heerlijkheid. Ik heb eens horen verhalen van een blindgeborene, aan wie veel moeite besteed werd om hem duidelijk te maken wat de zon was, en welke heldere stralen er van haar uitgingen over de gehele aarde. Maar hij begreep er zo weinig van, dat hij, na al de genomen moeite om hem er iets van te laten begrijpen, uitriep: ‘O! nu weet ik wat de zon is, het is gelijk als het geluid van een bazuin.’ Arm schepsel! Daar hebt u het beste begrip dat hij er zich van kon vormen, want hij had nooit ogen om haar te zien. Mijn vrienden! Het is met ons ook zo. Wij zijn allen blindgeborenen, en wij hebben geen geestelijke ogen, voordat God ons verlichte ogen des verstands komt te schenken in de kennis van Christus.

Wij mogen nog zo veel over Zijn heerlijkheid en uitnemendheid praten, maar het beste wat u van Hem denken zult, is: ‘o! Hij is zulk een heerlijk Persoon als wij ooit gezien of gehoord hebben.’ Zo vormt u zich het beeld van enig groot en aanzienlijk persoon, zittende op een hoge en verheven troon, omringd van vele blinkende en prachtige oppassers en dienaren in kostbare kleren. Maar wat is dat alles? Anders niet, dan een hersenschim. De ware Christus is het beeld des onzienlijken Gods, de wijsheid Gods en de kracht Gods; God-mens in één Persoon. Maar ‘de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden’, 1 Kor. 2:14.

Zoals de haan van Aesopus, een gerstekorrel meer waarderende dan een parel, omdat hij de waarde daarvan niet kende, zo denkt en waardeert ook de wereld een gerstekorreltje van tijdelijke dingen boven de Parel van grote waarde, omdat zij Die niet kent. Daarom geeft deze vraag ook te kennen: wat kent u van de Christus?

In Christus geloven

Wat dunkt u van de Christus? Dat is: wat gelooft u van Hem? De kennis en het geloof zijn, als het ware, de ogen der ziel. De kennis is het onderscheidende en begrijpende oog. Het geloof is het toepassende en het toe-eigenende oog. Zonder kennis kunnen we niet recht van Christus denken, ten opzichte zoals Hij in Zichzelf is; en zonder het geloof kunnen wij niet recht van Hem denken, zoals Hij voor ons is, zodat wij de getuigenis Gods aannemen.

Dat de vraag van Christus dit gelovig denken insluit, is duidelijk uit de samenhang van de tekst, waarin Christus aanwijst dat de Farizeeën geen goede gedachten van Hem hadden, indien zij ook niet zagen dat Hij Davids HEERE was, dat is: de waarachtige God en het eeuwige leven, in en door Welke, als God-mens, dit leven van God tot de mens gebracht moest worden. Deze vraag is dan een beproeving van ons geloof, welk geloof een bewijs is van zaken die men niet ziet. Ik denk ook dat een van de voornaamste redenen, waarom de Heere Christus hier zegt: wat dunkt u van de Christus?, en niet: wat dunkt u van Mij? Dat is: omdat zij met Hem spraken en Hem met hun lichamelijke ogen zagen. Maar het geloof moet niet gericht worden op wat onze ogen zien. Wij hebben niet meer geloof dan een os of een paard, wanneer wij niet méér geloven dan wij zien of gevoelen. Het geloof is een bewijs van zaken die men niet ziet. De Farizeeën zagen Christus en zij zagen ook Zijn wonderen, maar desniettegenstaande zagen zij de ware Christus niet door het geloof, omdat zij Zijn onzichtbare heerlijkheid, Zijn Godheid, noch het onzichtbare zegel Zijner zending zagen, om zondaren zalig te maken. Daarom zegt Christus niet: ‘wat dunkt u van Mij?’ ‘Want’, mocht Hij zeggen, ‘uw ogen zien Mij, alsof Ik maar een gewoon mens was, gelijk u zelf bent; maar, wat dunkt u van de Christus? Gelooft u niet meer van Hem dan wat u met uw ogen van Hem ziet? Dan hebt u geen goede gedachten van Hem, omdat u dan ook geen geloof hebt.’ Mijn vrienden! Deze vraag raakt ook u. Zij is niet: ‘wat ziet u, of wat gevoelt u van Christus?’, maar: ‘wat gelooft u van Hem?’

Ralph Erskine
Oktober 2018